Filosofie in klei

 

(Keramiek. Jaargang 36 nr. 1, februari 2013)

Beeldend kunstenaar Jeroen Kool (1979) komt uit een achtergrond waar techniek een belangrijke rol speelt: ‘Het vakmatige stond bij ons in de familie hoog genoteerd en een technische richting inslaan lag dan ook voor de hand. Met zekerheid komt alles goed en die verwierf je met gedegen vakkennis. MBO techniek was de meest praktische opleiding. En ik moet toegeven, dat ‘bijna alles kunnen maken mij nooit anders dan voordeel heeft opgeleverd.’

Dat zijn ambitie desondanks ergens anders lag, ontdekte hij toen hij als technisch tekenaar in stageverband, op een kantoor werd ingezet: ‘Het werk bestond uit het in fases meewerken aan een bouwkundig project. Je eigen bijdrage stuurde je door naar collega’s die er dan hun aandeel aan toevoegden en zo verder.' Wat ik miste was zingeving, ‘een sociale kant.’ Die zag hij in het beroep ‘docent beeldende vorming, en hij stapte over naar de lerarenopleiding aan de Hoge School voor de Kunsten in Amsterdam: ‘Daar leerde ik van alles wat. Heel degelijk. Ook pedagogiek en didactiek. Maar de kunst, waarvoor ik mij begon te interesseren, kwam nog onvoldoende aan bod.’

Het was bij het autonome deel van het eindexamen dat hij zijn draai vond: ‘Wat is je verhaal, wat draag je bij of voeg je toe vanuit je creatieve vermogens?’ Hij bracht het er goed van en werd  vervolgens op de Rietveldacademie toegelaten in het eerste vakklas jaar, met keramiek als studierichting. Overweldigd door alles wat je in feite kunt doen, zag hij in boetseren de mogelijkheid de verdieping te vinden waar hij naar zocht: ‘Ruimtelijk zien en voelen wilde ik. Daarvoor leek klei mij het meest geschikt, omdat je daarmee op een eenvoudige manier een vorm kunt veranderen. Al bracht mijn besluit rust met zich mee, ik begon aan heel verschillende dingen zoals gebruiksgoed, autonome beelden en installaties.’ Toen ik mijn eerste beeld boetseerde, stookte en glazuurde, ontdekte ik: dit wil ik dus. Toch blijft er voor de aanvang van elk nieuw werk ook altijd een zekere twijfel bestaan, maar misschien heb ik die wel nodig. Het kost mij energie en het brengt mij verder. De strijd hoort er nu eenmaal bij.

Voor zijn examen heeft hij bewust het verloop in zijn groei – van het begin tot het einde van de opleiding - laten zien: ‘Ik koos, vanuit de traditionele beeldtaal uit de kunstgeschiedenis, onder andere voor een vanitaswerk. Dat illustreert waar ik op dat moment stond. De schedel van klei veranderde onder mijn handen in een suggestieve vorm die een nieuwe betekenis kreeg. Vanuit een oogkas groeide een vogel en in de buiging van de vorm een hart. Zo’n uitkomst heb ik nooit tevoren in een schets vastgelegd. Telkens weer wil ik het vertrouwen opbrengen om een aanvang te maken met een klein idee, wat voelt als op reis gaan met een onvoltooid concept. Dat heb ik vooral op de Rietveld geleerd. En dat is lijnrecht tegengesteld aan waaruit ik voortkom. Nu werk ik met een concept, waarbij systematische aanpak en intuïtieve benadering elkaar afwisselen. Dit alles wil niet zeggen dat ik mijn verleden ben ontstegen. Het mooie is juist dat ik met alles wat ik ben geworden mijzelf kan verrassen. Dat ervaar ik als het wezen van creativiteit.’

In de laatste fase van zijn opleiding heeft Jeroen Kool aard en waarde van het thema ontdekt: ‘Waar gaat het over? Kun je een thema kiezen? Of zit het er al en moet ik het nog slechts herkennen om het te sturen?’  ‘Mijn werk gaat over menselijke conditie. Ik zie de hoop, de behoefte en de begeerte die uit verlangen spreken als belangrijkste bron van menselijk handelen. In mijn werk probeer ik dit verlangen, dat in het alledaagse leven vaak verborgen zit en in verschillende gedaanten aan de oppervlakte verschijnt, te tonen en herkenbaar te maken.Het zoeken daarnaar voltrekt zich in klei. Een episode die ik ervaar als een staat van ‘niet zijn’. Dat verlangen gaat vaak gepaard met onvermogen omdat het ontstaat vanuit een gemis. Fascinerend daarbij zijn de momenten van geluk en spanning. Daaruit komen de krachten voort. In zijn atelier is hij zowel bezig met vorm als concept, waarbij zich al werkend nieuwe inzichten voordoen: ‘Het bekende wordt onbekend en omgekeerd. Het blijft een strijd die me doet denken aan de modelbouw uit mijn jeugd. Het bouwen daaraan was het spannendst. Daarna speelde ik er twee dagen mee, die het nooit haalden bij de concentratie en vreugde van al die dagen van bouwen daarvoor.'

‘Boetserend breng ik – door stilering en uitvergroting – de onvermijdelijke thema’s - zoals liefde en dood - aan het oppervlak. Uitgangspunt kan een wolk zijn waarmee iets gebeurt. Door glazuren wordt dat duidelijker. Er kan van alles ontstaan, zoals een dromerig beeld met een vliegend paard dat met zijn manen de zon versluiert. De verlangens, die mijn drijfveren richting geven, probeer ik te herkennen. Ik stileer ze niet alleen, maar vergroot ze ook uit. Zo begon ik met het boetseren van een boom, toen ik ondertussen ook bezig was met het vormen van modellen voor zadels. Daaruit ontstond echter een werk met een bladerdak dat een wolkachtige vorm aannam, waarin ook borsten te herkennen zijn. Uiteindelijk is het altijd verbonden met het concept. Het onderbewuste is niet de kern van mijn werk. Ik bedien mij er van maar het gaat er niet over.‘Geoefender als ik word in het kijken, zie ik hoe alles samenkomt in de vorm: lichaamsdelen, vogelachtige, boom en wolk. Een ijsje kan – omgekeerd - ook een naakte dikke vrouw zijn. En dan spreek ik van een vorm die een landschap als startpunt had. Daar zit ik dan ‘mee opgescheept’ in positieve zin. Als het gaat om waarachtig geluk of onvermogen, kan humor een relativerende factor zijn. Teveel van het een of het ander roept al werkend spanningen op.'

Een nieuwe stap staat zelden op zichzelf. Het ene thema initieert het volgende. Delen ervan komen ook weer terug. Dat houdt verband met ‘esthetisch kijken’. Het ene werk is nog niet klaar of het andere biedt zich al aan. De interruptie is soms nodig om te ontdekken waar ik op dat moment ben aangeland. Dat is mijn drijfveer. Keuzes blijven binnen een bepaald besef en bij het sturen is het van groot belang de onbevangenheid te behouden.’

Ieneke Suidman

 

 

Philosophy in clay

(‘Filosofie in klei’, Keramiek. Jaargang 36 nr. 1, februari 2013)

Artist Jeroen Kool ’s background is one in which technical know-how plays an important role: “craftsmanship is highly esteemed in my family and so getting a technical vocational education was only natural for me. It was a very practical training and till this day I’m benefiting from ‘being able to make almost anything’.”


In spite of this, Kool discovered his ambition was elsewhere. Working as a technical draughtsman trainee in an office, his job was to log on to a computer to work on constructional projects. He would mail his part to a colleague who would, in turn, contribute his and so on. “I was missing a social aspect and a sense of meaningfulness.”  Kool found both at the Amsterdam School of Arts, where he subsequently successfully graduated as a Bachelor of Fine Art in Education. “It was a solid training which taught me many skills, such as pedagogic and didactics. The Arts, though, for which I started to develop great interest, were paid to little attention to.”

It was in the  autonomous element of his final examinations where he found his niche: ‘What is your story? What can you contribute using your creative powers?’. Kool succeeded to show. With his Bachelor diploma, he then was admitted to the Ceramics department of the Gerrit Rietveld Academy. Overwhelmed by all the artistic possibilities present at this institute, he found in working with modeling clay his desired deepening of understanding: “I wanted to see and feel three-dimensionally . Clay seemed most appropriate because this material allows you to change shapes easily.  My decision gave me some peace of mind, but still I started working on many different things; commodities, autonomous works and installations. When I modeled, fired and glazed my first sculpture I discovered: I can do this. Still, a certain doubt remains before each new work, but perhaps I need this. It takes effort and it makes me grow as an artist. The struggle is just part of it all.”

For his final project he consciously wanted to show how he progressed throughout his education at the Rietveld Academy: “ Inspired by traditional imagery in the history of art I chose, among other things,  to make a vanitas. It illustrated where I stood at that point in time. In my hands a ceramic skull converted into a suggestive form and got a whole new meaning. From one of the eye sockets a bird and a heart emerged. This outcome I had not foreseen in any of the initial sketches for this work. I want to put my trust in commencing with a minor idea and going on a journey with an unfinished concept. The Rietveld Academy taught me this. It’s in stark contrast to where I originally came from. At the drawing board I was merely executing plans. Now I’m working with a concept, in which a systematic approach and intuition interact. This doesn’t mean, though,  that I’ve abandoned my background. It all contributes to surprising myself. To me that the essence of creativity.”

In the last phase of his education at the Rietveld, Kool discovered the nature and the value of a theme: ‘What’s it all about? Can one choose a theme? Or is it already present and do I just need to recognize it and shape it?’ “My work is about the human condition. I see one’s hope, needs and desire as the main source of human conduct.” Desire is often concealed ineveryday life, but emerges in different guises. In my work I strive to manifest this secret longing and to make it recognizable. The search takes place in working in clay. It’s a phase that I experience as a state of ‘desire’. This longing often goes hand in hand with a sense of incompetence because it derives from a loss. Fascinating are the moments of happiness and tension resulting in  creative powers.” In his studio Kool is engaged in both form and concept and new insights arise while working: “what’s known becomes unknown and vice versa. It’s a struggle which reminds me of the model making I used to do in my childhood. The actual assembling was the best part. Afterwards I played with it for a few days, but it wasn’t as satisfying at the concentration and joy of all those days of construction.

By modeling the clay I bring inevitable themes –love and death- to the surface. Starting point could be a cloud to which something happens in the process. Glazing the sculpture makes that more evident. Anything could come into being, such as a dreamy image of a flying horse covering the sun with its manes. I try to discover the desires that give direction to my motives. Not only do I stylize them, I also enlarge them. I once started shaping a tree form while meanwhile working on models for saddles. From that a sculpture arose with a roof of foliage taking on a cloudlike shape in which breasts could also be distinguished. In the end it’s always connected with the concept. The subconscious is not the essence of my work. It avails me, but it is not what my work is about.

“As I become more experienced in looking at matter, I see how everything comes together in a form; body parts,  a bird, a tree and a cloud. An Ice-cream turned upside down could also be a corpulent female.  I’m speaking of a shape that was initially intended to be a landscape. I am ‘stuck with it’ then in a positive way. When it comes down to true happiness or to incompetence humor can put things into perspective. Too much of one or the other creates a tension while working. A new step hardly ever stands on its own. One theme initiates another and partially  recurs as well. One sculpture not being finished yet, another one already announces itself. This interruption is sometimes needed to discover at what point I’m at at a certain moment. That is my motive. My choices are made within a certain framework of understanding and in giving new direction it’s of great concern to me to preserve my open-mindedness.”
  

Ieneke Suidman